|
De goudwinde. |
||||
De goudwinde (Leuciscus idus) is met zijn bewegelijke sierlijkheid ongetwijfeld de meest dankbare en ideale siervijvervis waar je als vijvereigenaar het ganse jaar veel plezier aan beleefd. Ze zijn interessant omwille van hun sierlijke verschijning en jagen de hele dag aan de oppervlakte op insecten. Ze mogen dan ook in geen enkele siervijver ontbreken.
Verspreiding
In de vijver Door hun snelle en wendbare, gestroomlijnde lichaam met krachtige, korte staart vallen ze zelden ten prooi aan katten, reigers en parasieten. Ze eisen wel zuurstofrijk, stromend water. Ze houden van een spetterende fontein, waterval. Na steuren zijn windes het meest gevoelig aan zuurstoftekort. Windes leven in vijverwater optimaal tussen de 4 - 25°C. Het zijn goed winterharde vissen die de winters in onze gebieden kunnen overleven als de vijverdiepte minimum 80cm is. Windes zijn alleseters. Ze eten graag allerlei insecten in en rond het water. O.a. muggenlarven, muggen en wormen staan op hun menu. Naast de natuurlijke, levende bronnen eten goudwindes ook korrelvoer. Echter wanneer voldoende natuurlijke bronnen aanwezig zijn kunnen goudwindes best zonder dit extra voer. Ze zullen extra aangereikt voer dan laten liggen. Een goed uitgebalanceerde voeding, aangereikt met speciaal windevoer komt de intensiteit van de kleur zeker ten goede. Desondanks het alleseters en karperachtigen zijn blijven ze van waterplanten af en zijn het weinig belastende vissen. Verder lusten ze ook wel kleine visjes en eigen eitjes. Het is een ideale siervijvervis die nauwelijks of niet op de bodem woelt. Windes zijn heel sociale vissen, niet alleen voor het eigen geslacht maar ook voor andere siervissen. Met koi worden ze ook soms wel samengehouden maar het moet wel gezegd dat koi minder rustig en tam gedrag vertonen wanneer ze samen met windes opgroeien.
Voortplanting en
kweek Er kan wel wat schade aan waterplanten optreden tijdens de paaitijd. Na 2 tot 3 levensjaren zijn de jongen volwassen. Het geslachtsonderscheid is bij windes niet eenvoudig te maken. Het mannetje is meestal wel groter en dieper gekleurd en vertoont tijdens de paaitijd van april tot juli voortplantingspuntjes. Het paaien duurt 2 ŕ 3 dagen en kan al plaatsvinden bij lage watertemperaturen. Het duurt 10 tot 20 dagen vooraleer de eieren uitkomen. De larven zijn circa 6 mm groot.
Geen medicatie
Acrobaten
Zelfmoord
Andere varianten: Vaak wordt zilverwinde verward met blankvoorn. De blankvoorn heeft echter een oranjerode iris. Bij de winde is de iris licht van kleur. Aan het aantal schubben op de zijlijn is het verschil nog beter te herkennen. De winde telt tussen de 56 en 61 schubben terwijl de blankvoorn beduidend minder schubben telt, tussen de 43-47.
Ook aan de rugvin
herkennen we het verschil. Bij de winde staat de rugvin iets naar
achteren tegenover de buikvin. Bij de blankvoorn staat de rugvin recht
boven de buikvin. |
||||
|
Auteur: © Ief De Laender Bron : De Vijver Bibliotheek - The Pond Library www.vijverbibliotheek.info – www.pondlibrary.info Dit artikel is copyright © De hofmeesters |
||||