|
Naar de wortels van het Belgisch
witloof. |
Terug
naar de
homepagina
|
Wanneer
we aan onze tafel een maaltijd serveren met witloof als onovertroffen
smaakmaker, in de vorm van een rauwkostslaatje, maar ook gegratineerd in
de oven met een lekker kaassausje of als aperitiefhapje met garnaaltjes
en een vleugje coctailsaus, vragen we ons natuurlijk niet af waar de
“roots” van deze lekkernij liggen.
Ons witloof heeft een enorme evolutie doorstaan die zowel op
gebied smaak, kwaliteit maar ook de teeltwijze.
Gaan jullie even mee in de tijd?
Of we nu hebben over “Brussels loof”–zoals onze noorderburen –
of over “witlof” zoals de Engelsen of misschien zelfs “Endives de
Bruxelles” zoals de Fransen, één ding is zeker deze groente is een
BELGISCHE UITVINDING.
Amper 150 jaar terug leefden de mensen in de Brusselse gemeente Evere en
Schaarbeek uitsluitend van landbouw. Naast de gewone landbouwgewassen
zoals daar zijn: tarwe, aardappelen, voederbieten,... werden er ook
veel cichoreiwortelen (bitterwortelen) geteeld, die dienden als
grondstof voor het koffiesurrogaat, omdat de echte koffie enkel te
betalen was door het rijker deel van de bevolking. De gebrande wortels
waren een dankbaar alternatief voor de eenvoudige mensen. Als
tegenprestatie voor het onderhoud en rooien van de bitterwortelen
mochten de arbeidende, arme mensen de kleine wortelen behouden voor
eigen gebruik waar ze dan zelf hun eigen koffiechicorei van maakten. Op
een bepaald moment was er echter een overproductie en bleven de wortelen
liggen in donkere schuren. De temperatuur in de winter was mild en de
wortels kiemden, er kwamen lange, witgele scheuten tevoorschijn.
De miserabele toestand van de arme mensen dwong hen met deze scheuten
naar de Brusselse markten te trekken, dit was echter een gunstig
ogenblik voor hen, er waren zéér weinig groenten in omloop. Door het
ontbreken van aanvoer uit zuiderse landen en tevens het gebrek aan
degelijke transportmiddelen, zodoende vonden ze zelfs kopers! Meer en
meer mensen vonden de smaak lekker, ook het idee dat speelde dat de
witte scheuten wel eens giftig konden zijn verdween en de vraag overtrof
het aanbod, zo begonnen onze mensen aan een winstgevende teelt.
Natuurlijk was dit witloof niet het witloof dat wij heden ten dage
kennen, het waren bosjes jonge bladeren en scheuten. Men noemde deze
scheuten “ Kapucienenbaard” of “Pisenlit”.
Het echte witloof is echter “de uitvinding” van de teeltoverste van
de Rijksplantentuin van Brussel. Deze man, een zekere Mr. Breziers
ontdekte het geheim van de kropvorming. Hij kweekte het witloof in de
donkere kelders van de plantentuin op een bed van paardenmest dat een
natuurlijke warmte afgaf. Toevallig ondervond hij dat bepaalde factoren
zoals duisternis, warmte, vochtigheid en het behouden van de bladerkrop
onontbeerlijk waren voor het voortbrengen van witloof.
Zo ontstond de eerste forcerie en in de loop van de volgende decennia
evolueerde de forcerie via kacheltjes met warmwaterbuizensysteem over
elektrische bodemverwarming tot witloofschuren met centrale
vloerverwarming en uiteindelijk tot onze hedendaagse hydrocultuur.
In een volgend artikel gaan we een bedrijf opzoeken dat volledig
gespecialiseerd is in de teelt van witloof op water (hydrocultuur). Tot
dan.
|