|
Herfst
en winter (buiten de vorstperiodes) zijn bij uitstek de seizoenen
om nieuwe struiken of bomen in de tuin aan te planten. De planten
zijn in rust waardoor ze bij het verplanten minder “gestoord”
worden. Wortels hervatten daarnaast in de lente sneller de groei
dan takken en bladeren, en moeten dus tijdig aangeplant worden.
Het grootste gevaar bij pas aangeplante bomen en struiken is
watertekort en uitdroging. Pas als de wortels ver genoeg in de
bodem zijn doorgedrongen, zal de struik volledig op eigen “voeten”
kunnen staan. In tussentijd moeten
we het de plant en haar wortels zo gemakkelijk mogelijk trachten
maken. Dat kan door de grond in de plantput aan te rijken met ca.
20 % compost.
Compost zorgt voor een lossere bodem waar plantenwortels
gemakkelijker doorheen dringen. Leem- en kleibodems kunnen vaak
erg hard worden, waardoor (jonge) plantenwortels slechts heel
moeilijk in de bodem kunnen dringen. Maak daarom de plantput meer
dan groot genoeg. Een goede plantput moet minstens even breed zijn
als de takken of kroon boven de grond. Meng de uitgegraven bodem
heel grondig met compost (in de kruiwagen of op een karton).
Plaats de plant in de plantput (eventueel ook een steun) en voeg
er de aangerijkte bodem beetje bij beetje aan toe. Door tijdens
het vullen van de put regelmatig een flinke scheut water in de put
te gieten, kan je de bodem nauw bij de wortels laten aansluiten.
Zeker
tijdens het eerste jaar hou je de bodem rond de struik of boom
zoveel als mogelijk onbegroeid. Dat kan door er regelmatig
houtsnippers of grasmaaisel rond te strooien. Door de toegevoegde
compost blijft de bodem in de plantput langer vochtig en zal de
struik zijn eerste zomer zonder problemen en met glans doorstaan.
Compost bevat ook traagwerkende meststoffen waardoor de plant in
de eerste levensjaren zeker is van voldoende voedingsstoffen.
Eventueel kan je als basismeststof ook in de volgende jaren wat
compost onder de boomkroon gooien. Zeker fruitbomen zullen dit
extraatje met graagte ontvangen.
|