|
Ik bezocht in Antwerpen Mevr. Vermeulen. Als
je in haar serre mag rond kuieren, vind je altijd wel iets wat je aandacht
trekt. Deze keer trok een zeer elegante verschijning mijn aandacht. Enkele
vrij grote bloemen, zo'n 5,5 cm diameter. Met slanke witte sepalen en petalen
en daar bovenop een drielobbige lip, waar de middenlob dieppurper gekleurd
naar achter terug geplooid is. Nooit gezien. De plant droeg een drietal
bloemen die ontsproten onderaan de oude bulb. Daarnaast de start van enkele
nieuwe scheuten. Die scheuten ontwikkelden zich tegen de zijkant van een verdroogde, afgeplatte, als het ware ingezakte bulb. De plant op zich deed
me wat aan Pleione denken, maar dat was hij duidelijk niet. Ancistrochilus
rothschildianus wist Mevr. Vermeulen te vertellen. Nooit van gehoord moest ik
toegeven. En dat is niet verwonderlijk, het geslacht Ancistrochilus stamt uit
Afrika. En al zit de interesse voor Afrikaanse orchideeën in de lift. Bij
menig liefhebber -waar ik mezelf dan ook moet bij klasseren- houdt de kennis
van Afrikaanse geslachten op bij een tiental verschillende, zeg maar meest
populaire geslachten. Voor mij was het zowat een feit, dat Angraecoide,
Anselia en Bulbophyllum zowat de enige epifytische geslachten op Afrika waren.
In mijn zoektocht naar informatie over Ancistrochilus werd ik evenwel heel wat
slimmer. Wellicht vullen in de toekomst nog andere Afrikanen mijn verzameling,
dat zoekwerk heeft mijn nieuwsgierigheid bijzonder geprikkeld.
Van dit epifytische geslacht zijn twee
vertegenwoordigers bekend. A. thomsonianus en de hier vermelde
A. rothschildianus. Hier En daar vind je ook vermeldingen van A. hirsutissimus,
maar dat zou een synoniem zijn van A. rothschildianus.
Als je de Latijnse naam zou willen trachten te
ontleden, dan vind je daar 'cheilos'
lip , waarbij je alvast kan stellen dat de naamgeving heeft gewezen op een
speciale eigenschap van de lip.
In het tweede deel van de naam vinden we
een verwijzing naar 'ankistron' wat staat voor haak en daar verwijst men naar
de terug geplooide scherpe middenlob van de lip.
Korte tijd na het bezoek aan Mevr. Vermeulen
woonde ik een vergadering bij van de kring Noord-West Brabant te Breda. Daar
bood Mr. Schalk deze plantjes aan. Vanzelfsprekend kon ik het niet laten een
exemplaar aan te schaffen. En dan beginnen de problemen pas. Mooi erg mooi,
een kansje zo'n plantje te kopen, maar dan komt de vraag: "Hoe verzorg ik nu
zo'n plant". Wel zelf kijk ik dan liefst eerst en vooral naar de plaats van
oorsprong. Ik tracht dan zoveel mogelijk informatie op te zoeken. De landen
van herkomst zijn snel achterhaald; Centraal tot West-Afrika vanaf Uganda over Congo
tot Siërra Leone. Maar dat is te algemeen. Budongo Forest, dat is al wat
gedetailleerder. Het betreft laagland woud, wat in de natte periode heel wat
hemelwater krijgt te verwerken, doch ook jaarlijks gedurende een twee- tot
drietal maanden onder uiterst droge condities lijdt. Bij ons zijn de seizoenen
evenwel niet zo duidelijk afgebakend. Je moet de planten observeren, en dan
enkele zaken met uiterste zorg bewaken. Ik verklaar me. Ik kocht een oude
bulb, met daaraan twee scheuten. Opgepot in een mengsel met klein geknipte
barkbrokjes, kleine schilfertjes houtskool en wat perliet. Het mengsel stond
erg nat. Volgens Mr. Schalk en Mevr. Vermeulen wellicht iets te nat. Ik liet de
pot best in eerste instantie opdrogen, voor ik een volgende waterbeurt gaf.
Bij die waterbeurten is het erg omzichtig om te springen met de jonge scheuten.
Ze
verdragen geen staand vocht in de scheut. En éénmaal de scheut rot, is nieuwe
scheutaanzet vaak niet meer het geval, zoniet zet die scheut te laat aan, om
tijdig een volgroeide bulb te laten ontwikkelen. Wat gelijk een serieuze
beperking betekent om ook in het volgende groeiseizoen bloeirijpe planten te
produceren. Groeit een bulb uit tot stevige zwaar gezwollen vorm. Dan zal in
een volgend seizoen, bij de scheutontwikkeling een bloemsteel ontwikkelen
vanuit de oude ineenschrompelde bulb. Later volgt een nieuwe
opschietende
scheut. Na de bloei mogen we dan vrij veel vocht geven, tot de plant zelf
aangeeft in rust te willen gaan. De bulben zijn dan weer mooi gezwollen. En
hoe kan zo'n plant dat beter duidelijk maken, dan door gewoon zijn bladeren te
laten vallen? Je laat dan de pot opdrogen en tijdens de groeistop
maak je gebruik om de plant te verpotten. Ergens las ik dat de plant best jaarlijks
wordt verpot. Al durf ik dat in twijfel te trekken. Van origine is het immers
een epifyt, ik concludeer daaruit, dat hij niet te veel meststoffen nodig
heeft en dat hij in een arm mengsel gerust enige tijd kan overleven. Ook las
ik dat bij dat verpotten, de zich vegetatief delende planten kunnen gescheurd
worden. Dat zal vast wel een feit zijn. Immers al de door Mr. Schalk aangeboden
planten hadden twee of meer nieuwe scheuten. Persoonlijk lijkt het me ook zeer
interessant te overwegen enkele bulben samen te laten 'uitstruiken' tot een
kluit. Dat moet een spectaculaire aanblik bieden.
Gewoonlijk sluit ik zo'n tekst dan af met, een
aanrader om in je collectie op te nemen, of vergelijkbare uitspraken. Dat is
in dit geval waarschijnlijk een wat giftige boodschap. De plant wordt immers
zelden aangeboden. Maar voor wie hem toch vindt.... Een aanrader om in je
collectie op te nemen.
Bibliografie;
- The new Royal Horticultural
Society dictionary - Manual of Orchids; ISBN 0-88192-334-6
- Orchids of East Africa, door
Frank Piers ; 1968
- The Illustrated Encyclopedia
of Orchids, by Alec Pridgeon ; ISBN 0 7472 0635 X
- Orchids from Curtis’s
Botanical Magazine,by David R.Hunt M.A. ; ISBN 0 902068 10 5
|