|
Het lijkt erop dat lelies uit de mode raken. Ik zie ze steeds
minder bij onze tuiniers. Nochtans is het de lelie die in 2003 in
Engeland verkozen werd als populairste tuinplant van het jaar,
vóór de roos, clematis en riddersporen De nieuwste tuintrends
bieden weinig plaats voor deze opvallende, ouderwetse en soms
schreeuwerige bloemen en houden het voornamelijk bij veel groen en
borders op kleur (liefst pastel) .
Ja,
het is waar dat lelies te veel gebruikt werden in de traditionele
bloemstukken en ze worden bovendien het jaarrond aangeboden.
Daarbij kan hun doordringende geur storend zijn in huis.
De
vele geurloze types die gekweekt worden om dit probleem te
verhelpen (meestal afstammelingen van de zó heerlijk geurende L.
Longiflorum) hebben in de vaas niet de uitstraling die je van een
dergelijke plant zou verwachten.
Hier
wil ik dan een lans breken om deze prachtige planten weer in ere
te herstellen.
Om
ten volle van hun schoonheid te kunnen genieten plant je ze best
in de tuin.
Lelies kunnen perfect in de border. Door hun hoogte zorgen ze voor
‘drama’ en voelen zich goed bij grootbladige, laagblijvende
planten (voeten in de schaduw en hoofd in de zon) die op het
tijdstip dat de lelies bloeien al over hun hoogtepunt zijn. In de
natuur komen ze trouwens meest voor tussen lagere begroeiing en in
grasland. Lelies zijn er in bijna alle kleuren (alleen blauw
ontbreekt): zuiver wit, roomkleurig, alle pastels in roze en lila,
gestreept en gespikkeld en wie durft het aan om opnieuw geel,
oranje en rood in de border te gebruiken? In Engeland is de ‘hot
border’ razend populair aan het worden!
Maar
in de tuin kies je voor de geurende soorten. Als ik op een warme
avond in juli langs mijn Koningslelies loop en de kruidige geur me
tegemoet komt, is het weer een moment om te genieten. Ik betrap
mij er zelfs op dat ik op mijn stappen terugkeer om nog eens te
‘snuiven’.
Het
geurenfestival begint al in juni met de Madonnalelie (L. Candidum),
daarna de Aziatische hybriden, waarvan er maar enkele geurend
zijn. Vanaf eind juni tot eind juli de Trompetlelies, begin
augustus de Oriental-hybriden met hun zoete overweldigende geur en
het buitenbeentje: L. Nepalense, waarvan in sommige catalogi
beweerd wordt dat hij geurloos is. Zeker niet! Het seizoen wordt
afgesloten in september door de Speciosum-hybriden met hun lichte
maar hemelse vanillegeur.
In
principe moeten lelies geplant worden vóór de winter. September -
oktober is ideaal. Alleen L. Candidum moet al geplant worden in
augustus omdat hij in de volgende maanden al een bladrozet vormt
en de bloemaanleg dan gevormd wordt. Meestal worden de knollen
maar aangeboden vanaf februari. Deze knollen hebben ook hun
‘winterperiode’ doorgemaakt in koelhuizen, maar wat er dan naar de
tuincentra en warenhuizen gaat, zijn meestal die knollen die niet
verkocht werden aan de snijbloementeelt en als je ze dan plant
kunnen ze niet voldoende uitgroeien en zullen ze gewoonlijk
minderwaardige bloemen produceren. Het eerste jaar de bloemen er
uitknippen is niet de leukste maar wel de beste remedie om het
daaropvolgende jaar volwaardige en prachtig bloeiende lelies te
hebben. De knollen die in de herfst, op plantenbeurzen, door de
telers rechtstreeks aangeboden worden, mag je echter met een
gerust hart aankopen.
Er
zijn zo’n 90 soorten (species) die in het wild voorkomen over het
gehele noordelijk halfrond. Vele daarvan worden al eeuwen in de
tuin gebruikt voor hun sierwaarde en voor hun medicinale waarde.
De meest gekende zijn:
 |
 |
 |
Lilium Auratum, de goudbandlelie, prachtige zeer wijd openstaande
witte bloemen, geel gestreept. Herkomst: Japan.
|
L.
Superbum, wellicht de mooiste Noord-Amerikaanse lelie. Zachtgeel
tot oranjerood met bruine stippen. Zachte maar aangename geur.
|
L.
Cernuum, vindplaats: Siberië tot Korea. Lilaroze tot violet met de
typische tulbandvorm (omgekrulde kroonbladeren.)Niet geurend.
|
 |
 |
 |
L.
Lancifolium (syn.
L. Tigrinum), de tijgerlelie met de gespikkelde oranje bloemen.
Wordt in China sinds mensenheugenis gekweekt om zijn eetbare
knollen. Ook geurloos.
|
L. Regale, de Koningslelie, witte kroonbladeren met bruine
achterzijde of L. regale ‘Album’: zuiverwit. Kruidige sterke geur.
Afkomstig uit China maar al enkele eeuwen in cultuur in Europa.
|
L. Martagon, de Turkse of tulbandlelie, in wit en alle tinten van
roze tot rood met donkerpurperen stippen. Onaangenaam geurend maar
zeer elegant.
|

|

|

|
L. Longiflorum, zeer lange trompetvorm, komt uit Zuid Japan en Korea.
Zeer goede snijbloem maar niet echt winterhard.
|
L. Wallichianum, ook stolonvormend. Crèmewit met groen hart. Lange
trompetvorm. Is afkomstig van het Himalayagebied en houdt van
leemgrond.
|
L. Speciosum, zeer mooie witte of roze met purperen stippen en keel.
Deze schoonheid wordt zeer veel gebruikt in kruisingen.
Vindplaats: China en Japan.
|

|

|
|
L. Candidum, de gekende Madonnalelie, sinds eeuwen onveranderd in
cultuur. Van oorsprong uit het Midden Oosten en Zuid-Europa. In
goede grond wordt hij tot 2 meter hoog met soms tot 50 bloemen per
steel.
|
L.
Nepalense, prachtige trompetvormige geelgroene bloemen met een
purperen hart. De knollen maken eerst stolonen (lange uitlopers
waaraan kleine knolletjes gevormd worden en die ervoor zorgen dat
de plant niet boven komt waar je ze geplant hebt.) Zeldzaam en
zoals de naam laat vermoeden afkomstig van Nepal.
|
Er
zijn enorm veel kruisingen (hybriden) en jaarlijks komen er nog
veel bij. Een overzicht geven zou ons te ver leiden. Ze worden
hoofdzakelijk onderverdeeld in de volgende groepen:
Asiatics: met rechtopstaande bloemen, meestal niet geurend
Longiflorum: waarbij ook de trompetlelies gerekend worden. Meestal
geurend.
Orientals: zeer grote wijd openstaande bloemen met een
fantastische geur.
L.A:Longiflorum x asiatics
L.O.:
Longiflorum x orientals
O.A.:
Orientals x asiatics
O.T.:
Orientals x trumpets
Zoals je ziet: er is altijd een lelie die past in je tuin. Kijk
eens rond, doe wat opzoekingswerk en vooral: kies de geurende.
Lelies zijn wel geen gemakkelijke planten. Vele soorten zijn zeer
ziektegevoelig (virusvlekkenziekte en wortelrot) en alle worden ze
geplaagd door het leliehaantje, dat in een paar dagen tijd de
planten flink kan aanvreten. Gelukkig kan je ze goed zien door hun
felrode kleur. Bijtijds vangen dus! Ook woelmuizen kunnen in de
winter de knollen opeten.
De
meeste soorten houden van een lichte, humusrijke grond. Gebruik
geen verse stalmest, een droge organische meststof mag wel.
Aanbrengen in maart en opnieuw na de bloei. Een kalihoudende
meststof een maand vóór de bloei zorgt voor grote en goedgekleurde
bloemen.
Ieder jaar een dikke laag compost doet wonderen. In droge perioden
éénmaal flink gieten tot de grond zo’n 10 cm diep goed vochtig is
volstaat meestal.
Hoe
lelies moeten vermeerderd worden is voor een volgend artikel. Maar
laat dat je er niet van weerhouden om nu uw keuze te gaan maken en
er voor te zorgen dat die ‘goeie ouwe’ terug in ere wordt hersteld
en je er deze zomer met ‘volle teugen’ kan van genieten.
|