|
Lelies opkweken van zaad tot bloeiende plant is geen moeilijke
aangelegenheid, nochtans moet je enkele belangrijke zaken weten.
Het duurt wel enkele jaren vooraleer je de eerste bloemen kunt
verwachten, alhoewel de meeste trompetlelies al na 2 jaar kunnen
bloeien. De oriental lelies doen er gewoonlijk een paar jaar
langer over, maar een tuinliefhebber moet een beetje geduld
hebben, nietwaar? Het loont zeker de moeite om het eens te
proberen als je de relatief dure lelieknollen niet wilt kopen,
maar toch je collectie wilt uitbreiden.
Hoe gaat men te werk?
Wanneer je meerdere lelies in de tuin hebt zal bij vele soorten
door de bijen of andere insecten een bestuiving gebeuren. Je kunt
zelf ook een handje helpen en met een borsteltje stuifmeel van de
ene plant op de andere overbrengen. Zo kan je ook soorten
‘kruisen’ om nieuwe variëteiten te creëren.
In de herfst groeien de zaaddozen verder uit en eind oktober of
begin november kan je de zaden oogsten. Eén zaaddoos bevat
honderden vliesachtige zaden. Bewaar de zaden op een droge, niet
te warme plaats.
Wat de kieming betreft zijn er 2 soorten: de bovengrondse kiemers
(epigeal) en de ondergrondse kiemers (hypogeal). Onderaan het
artikel wordt een (onvolledig) overzicht gegeven welke soorten
bovengronds en welke ondergronds kiemen.
Wat is het verschil?
Bij de bovengrondse kiemers moet het zaad eerst een
koudeperiode krijgen. Een eenvoudige methode is de zaden
laagstapelen (stratificeren) in een bakje met zand en vanaf
januari buiten zetten in weer en wind. Vanaf eind maart kunnen de
zaden (en het zand) uitgestrooid worden in en goed voorbereid
zaaibed of in een koude bak. Maar je kan in januari ook
rechtstreeks uitzaaien, maar dan moet je het zaaibed wel afdekken
met een fijn net want anders gaan de vogels of de woelmuizen de
zaden flink uitdunnen. De zaden afdekken met enkele millimeter
zaai- en stekgrond en na een paar weken komt het eerste blad (het
cotyledon) reeds op. Het eerste jaar goed onkruidvrij houden,
ervoor zorgen dat de grond niet volledig uitdroogt en in juli een
beetje bemesten met een sterk verdunde vloeibare meststof. Tegen
het einde van het jaar kan je de knolletjes uitgraven en op een
andere plaats uitplanten op 10 cm van elkaar. Het jaar daarop kan
je reeds één enkel bloempje hebben, maar het zal toch nog een jaar
langer duren vooraleer je een ‘echte’ bloei zal hebben.
De ondergrondse kiemers zijn eigenlijk niet moeilijker op
te kweken maar ze doen er wat langer over om van zaadje tot
bloeirijpe knol te komen. Wanneer in oktober –november het zaad
geoogst wordt, kan onmiddellijk gezaaid worden. Het beste gebruik
je daarvoor een zaaiteil, gevuld met lavagruis, vermiculiet of
gewone zaaigrond. Bedek de zaden met enkele mm grond en plaats het
bakje op een warme plaats (18 à 20°C) voor ongeveer 3 maanden.
Je kunt de zaden ook mengen met het zaaimedium en in een
doorzichtige plastieken zak doen. Op die manier kan je de evolutie
van het kiemproces volgen. Na een paar maanden zal je zien dat er
kleine knolletjes gevormd worden. Wanneer de meeste knolletjes
beginnen wortel te vormen is het ogenblik aangebroken voor de
koude periode. Het bakje in een onverwarmde serrebak plaatsen is
ideaal, maar je kan ze evengoed in de koelkast bewaren voor een
paar maanden. Als het weer begint op te warmen zullen de eerste
echte blaadjes vlug verschijnen. Draag er goed zorg voor, want het
kunnen de enige zijn die in dat jaar gevormd worden. Vermijdt
direct zonlicht zodat ze niet uitdrogen of verbranden. In de
herfst kunnen de kleine knolletjes op een goed voorbereid plantbed
uitgezet worden op ongeveer 10 cm van elkaar. De volgende jaren
(ja, het kan 3 tot 4 jaar duren vooraleer bloemen te voorschijn
komen) de grond goed onkruidvrij houden en af en toe bemesten met
een sterk verdunde vloeibare meststof. Deze lelies vragen wat
geduld, maar dit zijn dan ook de mooiste en de meest geurige
bloemen, die bloeien wanneer de trompetlelies al uitgebloeid zijn
en die het bloeiseizoen van de lelies laten doorlopen tot een eind
in september.
Tot slot nog een tip:
Wanneer je niet zeker weet of de zaden tot de bovengrondse, dan
wel de ondergrondse kiemers behoren, zaai de helft uit op een
warme plaats en houdt de rest over om te stratificeren. Tijdens de
winterperiode kan je de reeds gezaaide zaden nazien en indien er
geen knolletjes gevormd worden kan je ze ook nog een koudeperiode
geven. Indien het wel ondergrondse kiemers zijn, houdt dan het nog
niet uitgezaaide zaad tot juni en zaai deze zaden dan uit. Als ze
koel en droog bewaard werden, hebben ze hun kiemkracht nog niet
verloren. Alleen zijn ze dan een jaar later in groei (en bloei).
Bovengronds Ondergronds
Amabile
Auratum
Bulbiferum
Brownii
Cernuum
Carniolicum
Fargesii
Chalcedonicum
Henryi
Kesselringianum
Japonicum
Martagon
Lancifolium Michiganense
Maculatum Nobilissimum
Nepalense Pardalinum
Parryi
Parvum
Philadelphicum
Ponticum
Pumilum
Rubescens
Regale Speciosum
Rubellum
Superbum
Sulphureum
Taniense
Wallichianum
Tsingtauense
Wardii
Washingtonianum
Xanthellum
L. candidum en L. lancifolium (tigrinum) vormen geen zaad in het
wild.
|