Koolvliegen en koolgalmuggen

 

de Koolvlieg.

De larven van de koolvlieg vreten de wortels van allerlei koolgewassen kapot. Ze zijn één van hun belangrijkste vijanden. De juiste naam van dit insect uit de Bloemvliegenfamilie is eigenlijk kleine koolvlieg (Delia basische of Chortophila basische.)

De koolvlieg is een 5 tot 8 mm lange, grijze vlieg die iets kleiner en slanker is dan de gewone huisvlieg. Ze ontpopt normaal in de tweede helft van april. De juiste datum wordt bepaald door het weer. Men zeg wel eens dat ze uitvliegt als de pruimen beginnen te bloeien.
De koolvlieg voedt zich ongeveer 1 week met nectar van fruitbomen en wilde planten en begint dan eieren te leggen.

Het vrouwtje legt haar eitjes af op en tussen gronddeeltjes in de onmiddellijke nabijheid van de koolplant (meestal binnen een straal van 5 cm rond de stengel. De witte eitjes zijn zowat 1 mm lang en 0,3 tot 0,4 mm breed. Ze zijn langgerekt ovaal van vorm en worden zowel alleen als in groepjes van maximum 30 aan de stengel gelegd.

Na 3 tot 8 dagen komen de larven tevoorschijn. Die zijn geelwit, rond, 8 mm lang en pootloos. Ze kruipen in de grond en beginnen aan de wortels te vreten. Eerst aan de hoofdwortel, dan knagen ze van boven naar beneden alle zijwortels af, om dan in de hoofdwortel gangen te gaan vreten, met rotting van de wortel als gevolg.

Na 2, 23 of 4 weken is de larve aan verpoppen toe. De poppen of ‘tonnetjes’ zijn 4 tot 8 mm lang, 2 tot 3 mm breed, glad, ellipsvormig en kastanjebruin van kleur. Ze zitten in de grond op 8 tot 12 cm diepte. Na 2 tot 3 weken komt er een nieuwe generatie vliegen uit. Om de winter door te brengen gaan ze 20 cm diep. Poppen bevinden zich altijd in de nabijheid van een koolstronk, vaak in tamelijke harde aardkluiten tegen de wortel aan of soms in de wortels.

Aan natuurlijke vijanden heeft de koolvlieg geen gebrek: loopkevers, mieren, sommige soorten vliegen, mijten en galwespen; ze lusten allemaal wel een eitje of een larfje.

Schade.
Aangetaste koolgewassen vertonen allemaal ongeveer dezelfde verschijnselen. Door de wortelvreterij van de larven wordt de hoofdwortel bruin, later zwart en dan helemaal rot. Voor we zover zijn staat de plant al erg los door het afknagen van de zijwortels. Ook hebben we de aantasting al kunnen merken aan het blad. Dat komt water tekort en hangt slap. Het heeft een grijsblauwe tint te vergelijken met die van lood. Aanvankelijk kan het zich 's nachts herstellen, zeker als er veel regen valt. Maar bij droger weer verwelken de bladeren helemaal en vallen af. Spoedig daarna valt de hele plant om. Als we dan de wortel bekijken zien we een net van onregelmatige gangen dat de larven achtergelaten hebben.

De eerste generatie, die eind april begint te vreten, richt de meeste schade aan. Het sloopwerk van één of twee larven is immers al genoeg om een jonge koolplant onderuit te halen.

De 2de generatie is veel onschuldiger. De kolen zijn dan al groter en de vliegen leggen minder eitjes.

De 3de generatie is dan weer schadelijk bij vroege spruiten, en bij mooi herfstweer ook bij late. Die ‘late koolvlieg’ legt haar eitjes vooral op de spruiten zelf, die dan ongeveer de grootte van een erwt hebben. Op gladde, goed gesloten spruiten spoelen ze gemakkelijk weg of verdrogen ze. Op iets lossere spruiten zitten ze echter beschut en kan de larve aan de spruit beginnen vreten, wat resulteert in rotte spruiten.

Op lichte gronden is de koolvlieg veel meer te duchten dan op zware. De larve dringt immers gemakkelijk door in losse, zandige grond.

Bij nat, koud of winderig weer legt de koolvlieg minder eieren.

Tenslotte nog dit:

  • Kies een spruitenras met harde, gladde spruiten.
  • Ruim afgeoogste kolenstronken op. Gooi ze eerst in het kippenhok, en pas later op de composthoop.
  • De koolvlieg verplaats zich niet gemakkelijk. De verschillende koolsoorten ver genoeg uit elkaar zetten om daarvan te profiteren, is voor een liefhebber echter niet haalbaar.
  • Laat spinaziestoppels niet staan, maar werk ze onder. De koolvlieg legt graag haar eitjes in de stoppel.

Bestrijding:
Aangetaste planten verwijder je best zo snel mogelijk om uitbreiding te voorkomen.
Bij spruiten haal je de aangetaste spruiten, meestal de onderste weg. Goed gieten en aanaarden kan licht aangetaste planten helpen om snel nieuwe wortels te maken. De wortels regelmatig aangieten met een oplossing van bruine zeep schijnt ook enig effect te hebben. De biologische bestrijding is in onderzoek.

 

De koolgalmug
Waar het bestaan van dit nietig insect vorige eeuw nog onbekend was, dreigt het de laatste jaren steeds vaker de teelt van diverse koolgewassen gewoon onmogelijk te maken.

Dit galmugje (Contarinia nasturtii) van 1 ,5 tot 2 mm groot leeft slechts enkele dagen. Dat is toch lang genoeg om op de stelen van de hartbladeren groepjes van 15 - 25 stuks doorzichtige eitjes te deponeren. De eitjes zijn zo klein dat ze alleen met de loep te zien zijn. Na 4 - 7 dagen komen er pootloze larven uit van 2 mm.

Aanvankelijk zijn ze glashelder, later worden ze witgeel en kunnen ze springen. Ze zuigen aan de jonge hartbladeren. Daardoor ontstaan krommingen en draaiingen aan de jonge bladstelen, wat 'draaihartigheid' genoemd wordt.

De eerste generatie verschijnt meestal eind mei, begin juni, hoewel er soms half mei ook al muggen gesignaleerd worden. In de eerste helft van juni kunnen we dus de eerste draaihartige planten aantreffen. Afhankelijk van de temperatuur springen de larven na 1 tot drie weken van de plant af, kruipen maximum 6 cm diep in de grond en verpoppen daar in 2 mm grote cocons die niet van gronddeeltjes te onderscheiden zijn. Na 2 - 4 weken (gemiddeld eind juni) verschijnt de tweede generatie en in overlapping een 3 de, of soms zelf een 4 de generatie. Sommige poppen blijven echter waar ze zijn en komen 1 of 2 jaar later uit. De natuurlijke vijanden zijn vooral loopkevers.

Bestrijding:
Zodra de larven aan de slag zijn en de schade zichtbaar wordt, is er niets  dat de koolgalmug kan tegenhouden, ook niet in de gangbare teelt. Het enige dat men dan nog kan doen is de aangetaste planten zo snel mogelijk opruimen om verdere uitbreiding te voorkomen.

zie ook:

Auteur: Andre Rombaut
webmaster: biologisch tuinieren

Dit artikel is copyright © www.tuinadvies.be

Terug naar de
homepagina