|

het konijn
|
Konijnen
voelen zich thuis in open en halfopen landschappen. Je treft ze
bijna overal aan, dus ook in de rustige bostuinen. Het konijn
graaft holen en is vooral 's nachts actief. Afhankelijk van de
tijd van het jaar eten zij allerlei groen zoals gras, takken,
wortels en schors. Normaal gezien zal een konijn jaarlijks
meerdere keren jongen krijgen. Doordat zij in groep leven kunnen
ze dan ook heel wat graaf- en vraatschade in de tuin veroorzaken.
Indien uw tuin rondom is afgebakend met een afrastering dan is de
kans al veel kleiner dat uw planten zullen worden afgegeten door
de konijnen. Heb je toch last van deze dieren dan kun je deze uit
de tuin weren m.b.v. strooikorrels. Deze korreltjes verspreiden
een voor hazen en konijnen onaangename geur zodat die al snel het
hazenpad zullen kiezen.
Een andere oplossing voor problemen met konijnen is ze te vangen.
Dit kan door het inschakelen van gespecialiseerde firma's die
beschikken over afgerichte fretten. Fretten zijn kleine
roofdiertjes, nauw verwant aan de bunzing. De specialisten zullen
eerst alle holen grondig inventariseren en daarna worden de holen
afgesloten met speciale netten en vangkooien. Wanneer alle holen
afgesloten zijn worden de afgerichte fretten losgelaten. De
fretten sporen de konijnen in hun holen op en jagen ze dan uit hun
pijp zodat ze in de vangnetten terecht komen.
Voor de tuinliefhebber die zijn
moestuin wil beschermen bestaat er een vrij eenvoudige oplossing.
Plaats een radio en laat deze 's nachts gewoon aanstaan (niet te
luid voor de buren). De konijnen denken dat er mensen in de buurt
zijn en zullen dan ook niet naderen.
Tenslotte kun je er ook voor zorgen dat uw tuin niet echt
aantrekkelijk is voor konijnen of hazen door er planten te zetten
die ze totaal niet lusten.
Planten die weinig of zelden aangetast
zullen worden door konijnen:
|
Vaste planten:
Acanthus
Aconitum napellus (monnikskap)
Ajuga repens (zenegroen)
Agapanthus (Afrikaanse lelie)
Alchemilla mollis (Vrouwenmantel)
Anemona x hybrida
Aquilegia hybrida (Akelei)
Artemesia
Aruncus dioicus (Geitenbaard)
Asarum europaeum (Mansoor)
Astillbe x arendsii
Bergenia cordifolia (Schoenlappersplant)
Brunnera macrophylla (Kaukasische vergeetmijniet)
Cimicifuga racemosa (zilverkaars)
Convallaria majalis (Lelietje-der-dalen)
Coreopsis grandiflora (meisjesogen)
Dicentra species (gebroken hartje)
Doronicum orientale (voorjaarszonnebloem)
Echinops ritro (kogeldistel)
Epimedium x rubrum (elfenbloem)
Eupatorium coelestinum (koninginnekruid)
Euphorbia (wolfsmelk)
Filipendula ulmaria (wilde spiraea)
Gaillardia x grandiflora (kokardebloem)
Geranium (ooievaarsbek)
Helleborus (kerstroos, stinkend nieskruid)
Hemerocallis (daglelie)
Iberis semipervirens (scheefkelk)
Iris siberica (Siberische lis)
Kniphofia (vuurpijl)
Lavandula angustifolia (lavendel)
Liriope spicata
Lobelia cardinalis (kardinaalsbloem)
Lysimachia clethroides (knikkende wederik)
Lysimachia punctata (wederik)
Malva alcea (kaasjeskruid)
Monarda (bergamotplant)
Nepeta (kattenkruid)
Pachysandra terminalis
Paeonia (pioenroos)
Perovskia atriplicifolia
Phlox sublata (kruipende phlox)
Potentilla aurea (ganzerik)
Primula (sleutelbloem)
Pulsatilla vulgaris (wildemanskruid)
Pulmonaria (longkruid)
Salvia x superba (Salie)
Sedum (hemelsleutel)
Siergrassen
Stachys byzantina (ezelsoor)
Stokesia laevis
Teucrium chamaedrys (gamander)
Tiarella cordifolia
Tradescantia (eendagsbloem)
Trolius (kogelbloem)
Varens
Veronica (ereprijs)
Vinca major (maagdenpalm)
Yucca filamentosa (palmlelie)
|
Bomen en struiken:
Acer palmatum (Japanse esdoorn)
Aesculus hippocastanum (paardenkastanje)
Azalea
Buddleia davidii (vlinderstruik)
Buxus (borduurpalm)
Campsis radicans (trompetbloem)
Clematis (bosrank)
Cornus alba (rode kornoelje)
Cotoneaster
Hydrangea (hortensia)
Ilex (hulst)
Juglans nigra (walnoot, okkernoot)
Kalmia latifolia (lepelboom)
Liriodendron tulipifera (tulpenboom)
Picea pungens (blauwspar)
Pinus strobus (den)
Potentilla fruticosa (ganzerik)
Rhododendron
Ribes (aalbes & kruisbes)
Rhus (azijnboom)
Spiraea (spierstruik)
Taxus (venijnboom)
Vitis (druiven)
Kruiden:
Artemisia dracunculus (Dragon)
Marjorana hortensis (Marjolein)
Mentha ss (Munt)
Ocimum basilicum (Basilicum)
Origanum vulgare (Oregano)
Petroselinum crispum (Peterselie)
Satureia hortensis (Bonenkruid)
Groenten:
Allium cepa (Ui)
Allium porrum (Prei)
Asparagus officinalis (Asperge)
Cucurbita pepo melopepo (Pompoen)
Lycopersicum esculentum (Tomaat)
Rheum rhaponticum (Rabarber)
Solanum tuberosum (Aardappel)
Thalictrum (ruit)
Bloembollen:
Allium giganteum (Sierui)
Crocosmia "Lucifer" (Montbretia)
Hyacinth
Narcissus ss (Narcis)
Eénjarige planten:
Ageratum houstonianum (Mexicaantje)
Begonia x semperflorens (Zaai-begonia)
Calendula officinalis (Goudsbloem
Cleome hasslerana (Kattensnor)
Mirabilis jalapa (Nachtschone)
Pelargonium x hortorum (Tuingeranium)
Tweejarigen:
Alcea rosea (stokroos)
Digitalis purpurea (vingerhoedskruid)
Myosotis sylvatica (vergeet-mij-niet)
|
|

de haas
|
Hazen
zullen in de tuin veel minder schade aanrichten dan konijnen. Dat
komt omdat ze niet in groep leven en ook geen holen graven.
Terwijl een konijn in de buurt van zijn hol zal verblijven, trekt
een haas steeds verder.
Hazen richten voornamelijk schade aan in de boomgaarden waar ze
tijdens de winter de basten schillen. Een haas is van een konijn te onderscheiden door hun veel grotere lichaam
en hun lange, brede oren met zwarte punt. Hazen hebben ook veel
langere poten waardoor ze mooi rechtop kunnen zitten. Als een
konijn wegloopt kun je de witte onderkant van de staart zien. Bij
de haas is enkel de bovenkant van de staart wit maar aangezien
deze hun staart omlaag houden tijdens het lopen kun je enkel de
donkere onderkant zien.
Hazen leven niet in
holen, maar gebruiken 'legers'; dit zijn rustplekken op
de grond, waarbij ze de vegetatie als windscherm
gebruiken.
Hazen zijn erg vatbaar
voor parasitaire ziekten, maar niet voor myxomatose.
Na een dracht van zes weken worden
tussen februari en oktober doorgaans vier kleine nesten geboren.
Gemiddeld zal een moeder jaarlijks 11 jongen groot brengen. Pasgeboren haasjes zijn volledig behaard en hebben de ogen reeds
open. Na enkele dagen verlaten de jongen het nest. Ze komen daar
dan elke dag, na zonsondergang terug. De moeder komt een kwartier
later om ze te zogen, tot de haasjes een maand oud zijn.
|