|
Voorkiemen van groentezaden
Het is ongetwijfeld een voordeel als
we op een zeer beperkte ruimte veel zaden kunnen laten voorkiemen.
Een oud bord of een afgedankte slakom volstaat al. We kunnen zowel
vrij grote ( erwten, bonen ) als zeer kleine zaden ( selderij )
laten voorkiemen.
- grote zaden
Erwten
worden heel dikwijls onder niet verwarmd glas voorgekweekt. Bij
minder gunstig weer komen ze soms minder goed op. Als we de zaden
op een warme plaats laten voorkiemen, is de opkomst al zeker geen
probleem en kunnen we later zaaien ( na 15 februari ) en toch nog
tijdig over een mooi plantsoen beschikken.
De beste temperatuur ligt tussen de 20 en 25°C. We nemen een maat
zaden en gieten er viermaal zoveel niet te koud water op. We doen
dit best in de vroege vooravond of in de voormiddag. Erwten nemen
zeer veel vocht op, waardoor de bovenste zaden gemakkelijk droog
komen te staan. Het gebeurt soms ook dat de erwten zo opzwellen
dat ze gewoon over de rand van de schaal 'kruipen'.
Als we een grote kom met veel water nemen, verliezen de zaden te
veel energie. Alles wat ze in het overtollige water kwijtraken,
zullen ze later missen. Na 24 uren gieten we alles door een
vergiet, waarin we vooraf een niet te kleine doek gelegd hebben.
We binden de doek bovenaan niet te strak vast en leggen alles
omgekeerd in de kom, waarin de zaden 24 uren geweekt hebben.
We moeten er de volgende dagen over waken dat de bovenkant van de
doek niet te droog wordt. Het is praktischer er een vochtige doek
op te leggen en die vochtig te houden.
Twee of drie dagen later, naargelang de temperatuur, beginnen de
zaden te punten. De wortel verschijnt eerst, de stengel komt pas
veel later te voorschijn. De punt mag niet te lang worden, want
dan wordt het uitzaaien moeilijk en bestaat het gevaar dat de
wortel afbreekt.
De potten en de zaaibakken zijn al enkele dagen op voorhand
klaargemaakt zodat we onmiddellijk kunnen uitzaaien. We zaaien 8
zaden per pot, drukken zachtjes aan en dekken de zaden af. We
gebruiken best een fijne zeef. Vervolgens begieten we matig met
water op kamertemperatuur en dekken met plasticfolie af die de
bodem niet kan raken.
Bonen
zijn vocht -en koudegevoelige gewassen. Ze worden dan ook meestal
pas van mei tot en met juli gezaaid.
Lage bonen die voor 1 mei gezaaid worden, rekenen we bij de vroege
zaaisels.
Hoge bonen, die begin mei gezaaid worden, kunnen soms nog tot de
risicoteelten behoren.
Het voorkiemen van boonzaden is zeer belangrijk. Vroege zaaisels
kunnen bij slecht weer immers voor een minder goede opkomst
zorgen.
De bonevlieg slaagt er bovendien in de bonen in de grond te vinden
en legt er dan haar eitjes in. Eigenaardig genoeg laat ze
(behoorlijk) gekiemde zaden ongemoeid.
Onder invloed van koude en vocht kunnen bonezaden rotten of
miezerige plantjes ontwikkelen die bij kil en vochtig weer verder
wegkwijnen.
Eind mei is eigenlijk te laat om vroege bonen te herzaaien.
Uitzonderlijk zullen we erin slagen bonezaden als erwten te laten
voorkiemen, maar het is niet de goede methode. Bonen mogen slechts
enkele uren in water van meer dan 25°C voorkiemen. We kunnen de
bonen beter rechtstreeks in fijn gezeefde, vochtige turf of in
zaagsel van populier leggen. Ander zaagsel is echt niet geschikt.
De turf of het zaagsel wordt vooraf bevochtigd en moet enkele
dagen op voorhand in de serre om op temperatuur te komen.
We zaaien de bonen in een bakje met een laag van ongeveer 3 cm
turf of zaagsel. De zaden mogen vrij dicht naast elkaar liggen,
maar liefst niet in dubbele lagen. Wel kunnen we op een eerste
rijtje zaden een laagje turf of zaagsel van ongeveer 1 cm zeven,
waarop we weer een laagje bonen leggen. Drie lagen is een maximum.
De bovenste laag wordt met 2 cm turf of zaagsel afgedekt.
Het bakje moet in een warme plaats staan. Vermits het al april is,
zal het in de serre wel warm genoeg zijn. Als het vooral 's nachts
nog te koud is, kunnen we de bakjes eventueel nog binnen houden of
halen.
Als de zaden gepunt zijn, kunnen we ze in de serre, de koude bak
of al dan niet beschut buiten uitzaaien.
Het geldt voor zeer vroege bonen, maar ook voor de iets later te
zaaien bonen en zeker voor de staakbonen, die bij slecht weer nog
vlugger rotten dan de ( Limburgse ) lage bonen.
We kunnen de zaden ook nog laten doorgroeien tot het maximum, dus
als de stengel 3 tot 4 cm lang is. Zoals alle voorgekiemde bonen
zaaien we ze dan heel voorzichtig uit met turf/ of zaagsel,
drukken niet of zeer licht aan en leggen er wat lichte grond of
nog wat zaagsel of turf op. De opkomst is mogelijk nog beter en
vlugger, de resultaten bij de verdere uitgroei uitstekend.
Bonen zijn dankbare gewassen als ze van april tot eind juli
voorgekiemd worden: weinig risico's, goede uitslagen,
gecontroleerde teelt.
We kunnen de gekiemde zaden uiteraard ook in potten of bakken
zaaien en dan later tijdig uitplanten. Bonen verdragen het
uitplanten echter minder goed dan erwten.
- Kleinere zaden.
- Augurk, pompoen, meloen en
komkommer
Augurk, pompoen, meloen en komkommer
reken we bij de middelgrote zaden. Deze zaden worden zelden
voorgekiemd. Meestal zaaien we ze rechtstreeks in een niet te
kleine pot met een goede, diepe rand zodat we later nog wat grond
kunnen toevoegen om de plant te steunen. Toch kunnen we deze zaden
ook eerst in pot of bakje zaaien en even laten 'punten'. Als we ze
tijdig verspenen en de zaden voorzichtig behandelen, schept het
inpotten geen problemen. Later kunnen ze nog in grote potten
omgepot worden, wat vooral voor de meloenen belangrijk is.
- Spinazie, wortelen, kolen,
sla en selderij, prei.
De zaden van spinazie zijn eerder
klein. Het heeft uiteraard zin ze in de herfst en winter te laten
voorkiemen omdat we dan zowel onder koud glas als in de vroege
buitenteelt heel wat tijd winnen.
Dit geldt trouwens ook voor wortelen, waarvan de zaden eveneens
vrij klein zijn. Ten slotte zijn er nog de zaadjes van kolen, sla
en selder. Het selderzaadje is zeer klein, en kan heel lang in de
grond liggen, zodat we het iets moeilijker kunnen controleren. De
turf moet zeer fijn gezeefd worden.
De prei ten slotte heeft in de winter vrij hoge temperaturen nodig
om te kiemen. In een koude bak is het onbegonnen werk, maar als we
in februari in de serre voorkiemde zaden in een vrij gevorderd
stadium uitplanten en voorzichtig afdekken, hebben we al stevige
planten voor de vroegste buitenteelt in april
Methode.
We zaaien in een vrij ondiep bakje dat half gevuld is met fijn
gezeefde turf, die uiteraard vochtig genoeg moet zijn. We strooien
er de zaden op en dekken ze naargelang van de dikte met een laagje
turf van 5 tot 8 mm af. We zetten het zo warm mogelijk, liefst
rond 25°C en houden het vochtig, zonder te overdrijven.
In de bovenlaag duwen we best een paar zaden van snelkiemende
gewassen zoals radijs. Zolang die niet opkomen, hoeven we de zaden
van selder of wortelen nog niet te controleren.
Als de zaden voldoende 'gepunt' zijn, prei iets meer dan andere,
zeven we voorzichtig en zaaien dan uit met turf en al. We zaaien
in rijtjes of zelfs breedwerpig, wat zeker kan voor trage kiemers
als de kervel. Kervelplantjes mogen dicht bij elkaar staan. Het is
eerder gunstig voor een goede oogst. Als we de zaden afzonderlijk
willen houden, kunnen we ze gewoon vochtig ( en warm ! ) houden
tussen twee doeken.
Als de zaden kiemen bestrooien we ze met scherp zand zodat we
gemakkelijk kunnen uitzaaien, wat toch bijzonder voorzichtig moet
gebeuren. Bij deze voorkiemmethode mogen de punten niet té lang
zijn, zeker niet bij kleine zaden als wortelen en vooral selder.
Gekiemde zaden van b.v. prei en tomaat kunnen ook op perspotten
leggen, lichtjes onderzeven met potgrond en met wit zand afdekken.
Ook kunnen we gewoon in bakjes zaaien.
Het voorkiemen is een zeer goede techniek voor vroege en
risicoteelten. Als zaden voorkiemen kunnen we zeer vroeg oogsten.
We hebben een betere opkomst met minder zaden. Bovendien zijn we
nog op tijd met de nateelt als we in de nazomer wat krap zitten.
zie ook:
|