|
In mei en juni
bloeit Gelderse roos. Deze heester groeit in Nederland en België
meestal in het wild, soms ook in plantsoenen en gemengde hagen
samen met sporkehout, meidoorn, sleedoorn en bottelrozen. Inheems
is hij in Engeland en Ierland, maar ook in Algerije en Oosteuropa.
Wanneer u
tijdens een winterwandeling langs een struik loopt die kaal is,
maar trossen rode bessen draagt, dan is dat zeer waarschijnlijk de
Gelderse roos. Om de één of andere reden lusten vogels deze bessen
namelijk niet.
Naamgeving:
De
Gelderse roos is helemaal geen roos, maar een heester met witte
bloemschermen in mei en, zoals de Latijnse naam al zegt, familie
van de gecultiveerde sneeuwbal. Hoe is hij dan aan zijn
Nederlandse naam gekomen? Waarschijnlijk door een verkeerde
vertaling uit het Latijn. De oude graven van Gelre (oude naam van
Gelderland) hadden een blad in hun wapen waarvan men dacht dat het
van de Viburnum opulus zou zijn, die in het wild in juni prachtig
bloeide. Later bleek het om het blad van de mispel te gaan. Een
vergissing! Maar de naam bleef. Blijkbaar hadden deze Nederlandse
graven zoveel aanzien en invloed, dat de naam in Engeland
overgenomen werd.
De Latijnse
naam Viburnum zou in verband staan met een woord voor
buigzaam. Opulus betekent met bladeren als de aak
(esdoorn).
Plantkenmerken:
De
Gelderse roos is een bladverliezende, tot 4 m hoge struik. De
bladeren zijn drielobbig, getand en aan de onderkant kaal of
behaard. Ze zijn in het najaar heldergeel, rood of roodbruin
gekleurd. De takken zijn vaak gaffelvormig vertakt. Het jonge
schot is lichtbruin. Oudere takken en stammen zijn geelgrijs.
De bloemen
staan in grote, platte tuilen bijeen. De buitenste zijn steriel.
Hun functie is de insecten te lokken. Hiervoor hebben zij grote
kronen, zijn helderwit van kleur en bevatten honing. De binnenste
bloemen zijn tweeslachtig, klein en hebben een geelwitte,
klokvormige kroon.
De vruchten
zijn helderrode bessen met maar één pit.
Standplaats :
De
Gelderse roos is geschikt voor een kleine tuin, als solitair,
borderstruik of als achtergrondbeplanting. Hij groeit het beste in
voedzame grond waarin het vocht goed wordt vastgehouden.
Snoeien:
U
kunt de Gelderse roos direct na de bloei snoeien. Bij volwassen
struiken kunt u een aantal oude takken wegsnoeien. Vanuit de
wortel groeien vaak uitlopers die in het tweede jaar zullen
bloeien.
Soorten:
Als
haag is Viburnum
opulus ‘Compactum’
geschikt. Hij wordt slechts 2 m hoog. Wilt u veel rode bessen, dan
kunt u
‘Notcutt’s Variety’ kiezen.
Hij kan 3 m hoog worden, draagt helderrode, grote bessen.
‘Roseum’
is de gewone sneeuwbal met bolvormige bloemen, die steriel zijn,
dus geen bessen dragen.
‘Xanthocarpum’
heeft lichtgroen blad en oranjegele bessen. Een dwergvorm is
Vibrunum o. ‘Nanum’,
geschikt voor hagen. Opulus ‘Aurea’ is een Gelderse roos met bont
blad.
Attentie!
Alle
delen van de Gelderse roos zijn giftig. Dit weten ook de vogels,
want zij laten de bessen volledig met rust, zodat ze tot diep in
de winter de struik blijven sieren.
Caprifoliaceae
- kamperfoeliefamilie |