|
|

Ik hoor al
enkelen zich de vraag stellen, ‘Wat staat er nu in de titel? Niet
zo vaak gezien… Cymbidium…? Lees ik dat wel goed?’ Ja ja ,
dat lees je goed, maar ik bedoel dan ook niet de Cymbidium die
jullie denken. De hybride, die in elke bloemzaak te vinden is. De
‘beginnerplant’, waar iedere liefhebber vroeg of laat wel eens
een exemplaar van koopt. Neen die zijn zeker niet zeldzaam in
collecties.
Wat bedoel ik
dan wel? De species. De warme species, waarvan sommigen ooit als
voorvader van al de hybriden dienst deden, doch welke door hun
nazaten quasi volledig werden verdrukt. Nochtans zeker niet minder
mooi. Waarom zien we ze dan zo zelden? Waarschijnlijk om dat de
planten zo groot worden, omdat ze zo veel plaats innemen, omdat ze
‘uit de mode’ zijn geraakt, wellicht ook omdat ze niet zo vaak
worden aangeboden.
Ooit won ik op
een tombola een achterbulb van Cymbidium finlaysonianum.
Jaren heb ik eraan gekweekt. Hij maakte verschillende scheuten,
doch die werden nooit hoger dan 25cm. Tot ik in het Brusselse bij
een kweker (Van Bosstraeten) die later stopte met zijn handel, een
ander exemplaar aankocht. Dat stond broederlijk naast de ‘oude bos
scheuten’ in de warme kas onder de Phalaenopsissen. Die plant
groeide wel. Zijn scheuten, werden tot 80cm hoog, stugge diep
gevouwen bladeren, verraadde, dat het waarschijnlijk wel eenzelfde
plant was als de eerste, doch de groeikracht was onvergelijkbaar.
Na 2 jaar en 3 scheuten, bloeide hij voor het eerst. Ondertussen
was de plant reeds een 10-tal jaren in mijn collectie en sinds de
eerste bloei heeft hij geen enkel jaar meer overgeslagen. De plant
is reeds gescheurd, ik gaf reeds scheuten door, kortom een succes.
En zeker geen moeilijke jongen. Ik pot hem op in een plastieken
hangpot, van zo’n 30cm diameter. Als mengsel gebruik ik pure grove
schors, wat ik bovenaan afdek met levend mos. Dagelijks sproei ik
in de warme serre en de Cymbidiums worden zeker niet
vergeten.
|

Cymbidium finlaysonianum |
Je leest goed
Cymbidiums, want ondertussen is de verzameling uitgegroeit.
Ondertussen zijn ook C.aloifolium, C.dayanum, C.hoosai,
C.longifolium, C.madidum en C.sinense aan de
verzameling toe gevoegd. De meeste planten zijn volwassen en
bloeiden ondertussen meermaals. C.madidum bloeide
waarschijnlijk het spectaculairste, ooit zelfs met 8 takken te
gelijk, al draagt elke tak amper een 10-tal bloemen. Als ik hier
een opsomming maak van namen, dan zeg ik er graag bij dat het
louter namen betreft die ik bij aankoop van de planten meekreeg.
Uit de literatuur trok ik de conclusie, dat heel wat soorten
enorm variëren. Bovendien is vaak sprake van oudere namen, die
achterhaalt zijn.

Cymbidium finlaysonianum
Onbedacht, ga
je bij bezoekjes aan tentoonstellingen en kwekers ook uitkijken
voor opportuniteiten binnen het Cymbidium geslacht om je
collectie uit te breiden. Zo zag ik ooit in Parijs C.tracyanum
ronduit prachtig. Eén van mijn vrienden was dat enthousiasme niet
ontgaan. Hij ging op vakantie naar Groot-Brittannië en vroeg me op
zijn planten te letten. Hij bezocht enkele bekende kwekers,
ondermeer ‘The Eric Jung Foundation’. Als bedankje voor mijn
zorgen bracht hij me een zaailing van C.tracyanum mee. Ik
hoef niet te verduidelijken hoe leuk ik dat vond. Spijtig genoeg
heeft die plant me niet bedankt met bloemetjes doch een strenge
winter niet overleeft. Er zat maar één mooie scheut aan, en die
kreeg waarschijnlijk net water toen de temperatuur wat lager
daalde. Enkel weken later viel de scheut uit de pot...
C.aloifolium
Soms vind je
ook wel eens een plant met dezelfde naam, doch die er volledig
anders uit ziet. Zo zag ik bij een Nederlandse kweker een
C.finlaysonianum die er heel anders uitzag dan mijn exemplaar.
De bloemen, waren stuk voor stuk mooier, de sepalen en petalen,
waren zeldzaam raar gevlekt. Het leken wel wijndruppels die op de
geel-groene basiskleur waren opgedroogd, zodat een rodere rand
bleef staan, met een lichtere inkleuring. Vanzelf ga je dan
twijfelen aan de correctheid van de naam. Zo kom je te weten, dat
de kenmerken tussen diverse soorten vrij specifiek is en dat de
variatie in kleuren en tekening niet altijd kenmerkend is.
Zoals bij alle
orchideeën is de bloeikracht enorm verschillend tussen
verschillende planten. Erg verwant aan C.finlaysonianum is
C.longifolium, zelf heb ik een plant, die tot 80cm lange
hangende bloemtakken vormt. Zijn bloemen zijn overwegend roze van
kleur, staan vrij ver uit elkaar en staan allemaal naar één
richting georiënteerd. Ooit zag ik evenwel een plant met een veel
kortere bloemaar. De bloemen stonden veel dichter op elkaar en de
aar was haast rolrond. Blijkbaar weten de kwekers die zulke
exemplaren aanbieden ook dat die verschillen de liefhebber nauw
aan het hart liggen. Immers regelmatig, tracht men liefhebbers te
verleiden met ‘nieuwe’ namen. Vaak gaat het om ‘oude’ hergebruikte
namen, of louter om varianten die dan als subspecie worden
aangeboden. Persoonlijk heb ik het niet hoog op met dergelijke
praktijken.

C. erythrodtylum
Wie warm en
vochtig kweekt moet succes kunnen hebben met deze planten. Wel
dien je zeker rekening te houden met de afmetingen van dergelijke
planten. Op zeer korte tijd kan een goed groeiende plant
verdubbelen in afmeting. En de plaats die zo’n plant neemt, stemt
al gauw overeen met een ruimte, groot genoeg om vele andere
planten op onder te brengen.
Zelf breng ik
graag al eens een plant mee naar de club, of naar een
tentoonstelling. Met warme Cymbidium, sla je nooit een
slecht figuur. Eén ding is daarbij evenwel problematisch… het
transport. De hangende takken breken af voor je het weet.
Opstaande bladeren, pot en hangende bloemtak meten samen al snel
meer dan een meter. In een gewone personenwagen, vervoer je zo’n
plant niet zonder meer.
Meestal preek
ik dat je om succesvol planten te kweken hun groeiwijze inde
natuur moet bestuderen. Wel Cymbidium zag ik in Zuid-oost Azië
onder natuurlijke omstandigheden. In collecties een enkele in
bloei in het wild geen ene. Planten evenwel bij de vleet. De
meeste zaten in de eerste vork van bomen, gewoonlijk een 10-tal
meter boven de grond, soms ook hoger. De planten leken elkaar te
overtreffen in grootte, soms ruim meer dan een meter in diameter.
Zo stopte ik ooit op een weg langs een plantage (ik weet niet
zeker welke boomsoort, ik denk teak) Elke boom langs de weg droeg
in de eerste vork een Cymbidium-plant. Enkele bomen, in de
tweede rij droegen ook nog een plant, vanaf de derde rij, geen
planten meer. Duidelijk, dus een kwestie van licht en
luchtbeweging. Ik ben geneigd te stellen, dat het tweede wellicht
belangrijker is dan het eerste. Immers in mijn serre bloeien ze
ook. En ik heb een vrij schaduwrijke serre, die ik bovendien in de
zomermaanden scherm met extra doek. Waar ze hangen in mijn serre,
staat evenwel een computerventilator op hen gericht.

C.madidum
Mijn
persoonlijke mooiste (uit mijn eigen verzameling) is wellicht de
soort met de kleinste en minst opvallende bloemen. C.madidum. De
plant lijkt jaar na jaar grotere bulben te krijgen. De bulben zijn
ovaal tot 16cm hoog en 6-7 cm in diameter, enigszins afgeplat.
Reeds enkele jaren produceert de plant telkens 2 bloemaren. De
bloemaar, ontwikkelt zicht tussen de bulben, lijkt zich
aanvankelijk op te richten, eenmaal de bloemknoppen uit het
schedevormig blad komen, buigt te bloemtak naar beneden, om
tenslotte, over de rand van de pot heen, naar beneden te bengelen.
De bloemen zijn, slechts een 3-4-tal cm in diameter, de bloem
staat mooi open gespreid en de sepalen en petalen, zijn afgerond.
De kleur is fel geel-groen. Eenmaal de bloemaar begint te groeien
gaat de verdere ontwikkeling erg snel. Op amper een week tijd komen
de eerste bloemen open. Spijtig genoeg is de plant ook relatief
snel uitgebloeid.
Bibliografie:
-
‘The
New Royal Horticultural Society Dictionary’-‘Manual of Orchids’
Joyce Stewart; ISBN 0-88192-334-6
-
‘The
illustrated Encyclopedia of Orchids’ by Alec Pridgeon ; ISBN 0
7472 0635 X
-
‘The
Genus Cymbidium’ by David du Puy & Phillip Cribb ; ISBN
0-88192-119-X
|
|
|