|
In tegenstelling tot groenten, hebben de meeste fruitsoorten een
lage behoefte aan voedingsstoffen. In het voorjaar zijn er
voedingsstoffen nodig voor scheutgroei en vruchtzetting. Teveel
meststoffen verhogen echter de kans op rui ( het
vallen van onrijpe vruchten) en op wilde scheutgroei. Ook in de
zomer kan een overschot aan meststoffen nadelig werken voor het
vormen van de knoppen en voor de rijping, kleuring en kwaliteit
van het fruit.
Net zoals rozen blijken veel fruitbomen gevoelig voor ziekten en
parasieten. Opnieuw ligt de sleutel van het succes in de keuze van
een juiste standplaats (zonnig en niet te winderig), een geschikte
variëteit en een juiste zorg voor de bodem. Wie de gifspuit en
veel zorgen wil mijden, kiest best voor oude of resistente
fruitrassen. De bewaarbaarheid van het fruit is misschien iets
minder, de smaak des te beter.
Fruitbomen gedijen het best op een humusrijke, goed bemeste en
niet te zure bodem. Kersen stellen de hoogste eisen aan de bodem,
pruimen zijn sneller tevreden. Zeker op zware leem- en kleigronden
en op zandgronden kan best, voor het planten, flink wat humus
worden toegevoegd onder de vorm van compost. Voor
hoogstamfruitbomen maakt men plantputten van 40 cm diepte met een
diameter van 1 tot 1,5 meter. Te diepe putten veroorzaken
verzakkingen. Uitgerafelde of gekwetste wortels worden met een
scherpe snoeischaar verwijderd, waardoor de vorming van jonge en
nieuwe zuighaartjes bevorderd wordt.
Na het planten mag rond de stam wat compost of stalmest worden
uitgestrooid. Ook in de daaropvolgende jaren kan in de herfst rond
de stam compost worden gestrooid.
Voor
laagstambomen is het belangrijk dat bij het planten de
oculatieplaats (waar de bovenstam op de onderstam is geënt)
minstens 10cm boven de grond uitsteekt, zoniet is er het risico
dat de bovenstam zelf rechtstreeks wortels zal gaan vormen. Het is
best om direct bij het planten een boompaal te zetten. De paal
moet aan de windzijde van de boom staan, in de meeste tuinen is
dat de zuidwestkant.
Tijdens
de eerste jaren hou je best een cirkel van ongeveer 1 meter
diameter rond de stam gras- en onkruidvrij. Bij
hoo gstammen
is een boomcirkel na enkele jaren niet langer noodzakelijk.
Laagstammen die gekweekt worden op zwakgroeiende
onderstammen,
hebben wel sneller last van de concurrentie van een
onderbegroeiing. Je kan onderbegroeiing
grotendeels uitschakelen door de nodige oppervlakte af te dekken
met grove compost of grasmaaisel. Een mulchlaag van compost
absorbeert bovendien in de lentemaanden voldoende warmte tijdens
de dag, waardoor het risico op bloesemschade door nachtvorst
verkleint. Mulchlagen opgebouwd uit droger en lichter gekleurd
materiaal worden in de lentemaanden best vermeden.
|