|
Van de vele
verschillende bremsoorten is de bezembrem bij ons het meest bekend
en komt hij in heel Europa in het wild voor. Hij bloeit vanaf eind
april met gele vlinderbloemen meestal op zandige bodem, op de
heide en op hellingen langs snelwegen. Bezembrem is een oude
medicinale plant die al door de Griek Dioscurides beschreven werd.
De plant werd toen gebruikt als middel tegen verstopping, heuppijn
en angina.
Naamgeving
De
botanische naam cytisus is afgeleid van het Griekse eiland
Kythnos waar brem veel voorkomt. Scoparius komt van het
Latijnse woord scopae en dat betekent bezem. De
betekenis van het Nederlandse woord brem is struik. De naam
bezembrem heeft hij te danken aan het feit dat er van de
takken vroeger bezems vervaardigd werden. De botanische naam
genista voor sommige bremsoorten betekent eveneens bezem.
Plantkenmerken
Op
een gunstige standplaats kan brem een hoogte van 3 m bereiken.
Typerend voor deze struik zijn de lange, dunne, buigzame,
groenblijvende twijgen met daaraan drie bijeenstaande blaadjes.
Deze zijn licht behaard.
De grote,
heldergele bloemen die massaal aan de plant verschijnen, bevatten
een groep meeldraden en één lange stijl. Wanneer de bloemen die
slechts bestoven kunnen worden door grote insecten, voor het eerst
bezocht worden, ontspannen zich de meeldraden met enige kracht
zodat het insect met een lading stuifmeel overdekt wordt. Daarmee
bevrucht hij de stampers van andere bloemen.
Brem bloeit op
het hout van het voorgaande jaar.
De vruchten van
de brem zijn lange, platte peulen die bij het rijpen zwart worden.
Wanneer ze uitgedroogd zijn, kunnen zij met kracht open springen.
Dan wordt het zaad ver weg geslingerd. Aan elk zaadje bevindt zich
een klein sappig aanhangsel dat mieren erg lekker vinden. Zij
verslepen de zaden en zorgen zo voor verspreiding van de brem.
Met deze zaden
is er iets bijzonders aan de hand. Het gaat hier om zogenaamd
‘hard zaad’, dat wil zeggen: een bepaald percentage van de zaden
ontkiemd door de hardheid van de schil niet. Daarmee overleeft het
ook strenge winters en gebrek aan water en zal dan in het
voorjaar, als het regent, ontkiemen. Op deze manier kan brem zich
ook in noordelijke landen met lange, strenge winters handhaven.
De zaden zijn
giftig!
Voor hazen en
konijnen zijn de takken van de bezembrem een smakelijk
wintervoedsel.
Gebruik
Takken van de brem werden vroeger als bezem gebruikt.
Als medicinale
plant werkt brem hartslagregulerend, bloeddrukverhogend en
kalmerend.
Je kunt ermee
ook luizen bestrijden.
Brem werd
vroeger in huis opgehangen om het kwaad te weren. Met een
brembezem kon men het kwaad het huis uit vegen.
Misschien werkt
het tegenwoordig ook nog. Het is het proberen waard.
De bremsoort
Genista tinctotia
(verfbrem) werd als kleurstof gebruikt.
Legende
Volgens een oude legende zou brem door de Heilige Maagd vervloekt
zijn omdat de openspringende peulen zoveel lawaai maakten dat zij
de Heilige Familie bijna verraden aan koning Herodes hebben.
Snoeien
Om
een bossige groei te krijgen kunnen de scheuten getopt worden. Men
kort de uitgebloeid takken met tweederde in boven een knop of
scheut onder uitgebloeide bloemen. Volledig verjongen van de
struik is onmogelijk.
Wanneer brem
bij strenge vorst bevriest, zullen alleen de bovengrondse delen
afsterven. In het voorjaar zal hij weer uitlopen.
Soorten
Hoge soorten:
-
Genista scorpius:
dit is een bremsoort met lange dorens. Hij komt voor op droge
rotshellingen in West-Europa.
-
Genista cinerea:
de buigzame takken zijn grijsgroen tot asgrijs. Hij groeit p
droge hellingen in het westelijke Middellandse Zeegebied.
-
Sparteum Junceum – Spaanse brem:
algemeen op droge bodem in warme landen.
Lage soorten:
-
Genista radiata:
hij groeit op droge berghellingen in lichte dennenbossen in
Midden-en Zuid-Europa.
-
Genista anglica:
is te vinden in heide- en moerasgebieden en langs de Atlantische
kust.
-
Genista germanica:
een doornige struik op heiden, in bossen en op arme weilanden.
Hij is algemeen in Europa, maar komt niet in het Middellandse
Zeegebied voor.
-
Genista tinctoria (verfbrem)
groeit op de
heide, in het moeras en lichte bossen van Zuid-Europa en werd
vroeger gebruikt om stoffen te verven.
-
Cytisus decumbens:
breidt zich vlak over de grond uit. Houdt van kalkhoudende bodem
en rotshellingen. Ook op magere weilanden en lichte bossen.
-
Roodbloeiende
soorten zijn
Cytisus purpureus en Cytisus ‘Ruby.
Éen decoratieve sierbrem met roodgele bloemen is
Cytisus ‘Red Wings’.
Nederlandse
volksnamen: bezemkruid, ginst, priemkruid
Fabaceae –
vlinderbloemfamilie |