|
BLADRANDEN:
Als je naar verschillende bladranden kijkt, kun
je vijf verschillende bladranden onderscheiden. Gaaf, gegolfd,
gekarteld, getand en gezaagd.
 Bladeren met gladde,
doorlopende bladranden worden gaafrandig genoemd.
Bv.: Cotinus,
Ligustrum,Skimmia
|
|

De tandjes kunnen scherp en schuin als bij een zaag zijn, het blad
in z'n geheel wordt dan gezaagd genoemd; als de
tandjes gebogen zijn, dan noemen we het blad gekarteld
Bv.:
rozen, iep, linde
|

Als er kleine insnijdingen in het blad zijn dan is het een
getand blad
Bv.:
tamme kastanje, toverhazelaar
|
|

Bv.: hondsdraf,
Pelargonium |
|

Bv.: beuk, Ginkgo |
|
|
BLADNERVATUUR:
Als we een blad goed bekijken dan zien we dat de bladnerven op
verschillende manieren door een blad kunnen lopen.
 Als de
hoofdvaatbundel middendoor het blad loopt, dan spreken we van een
hoofdnerf. Als er vanuit de hoofdnerf talrijke zijnerven
ontspringen, dan noemen we het blad veernervig. |

Is het blad in het midden verbreed en lopen de
nerven niet evenwijdig, dan noemen we het blad kromnervig |
| |
|
 Als de nerven zich
aan top en basis verenigen en ongeveer evenwijdig aan elkaar lopen
(zoals o.a. bij grassen), dan noemen we dit parallelnervig.
|
 Als verscheidene
zijnerven uit één punt aan de basis van de hoofdnerf te voorschijn
komen, dan is het blad handnervig. |
De bladvormen werden reeds bekeken in een vorig artikel.
|